Rassenstandaard





FCI-Standaard:Nummer 311
RAS:Saarlooswolfhond
Land van oorsprong:Nederland
Datum van uitgifte: 20 oktober 1993
Gebruik: geen
FCI-Indeling: Groep 1 Herdershonden

NB: Noten ¹), enz. verwijzen naar de toelichting.
De nummers tussen blokhaken [1], enz. verwijzen naar het betreffende onderdeel op de afbeelding aan het begin van dit hoofdstuk.
Hoewel een deel van de noten bij de respectievelijke onderdelen verwerkt is worden zij voor de volledigheid toch in zijn geheel aan het eind opgenomen.



 

 

Algemene verschijning:

De SWH is een krachtig gebouwde hond. Zijn uiterlijk, lichaamsbouw, gangwerk en beharing doen denken aan die van de wolf. Hij is harmonieus gebouwd en heeft lange benen, zonder de indruk te wekken van hoogbenigheid. Reuen en teven moeten in allure duidelijk hun sexe doen blijken.

Karakter:

Hij is een levendige hond, overstromend van energie, die een trots en onafhankelijk karakter heeft. Hij gehoorzaamt uit eigen vrije wil en is niet slaafs. Hij is zeer aanhankelijk aan zijn baas en hoogst betrouwbaar. Tegenover vreemden stelt hij zich gereserveerd, enigszins wantrouwend op. Deze gereserveerdheid en zijn vluchtdrift voor hem onbekende situaties zijn kenmerkend voor de SWH en dienen behouden te blijven als rastypische eigenschappen. De benadering van de SWH door vreemden vraagt enige kennis van en inzicht in het gedrag van deze hond, die gereserveerdheid en vluchtdrift als eigenschappen in zich draagt. Een geforceerde, door de SWH niet gewenste benadering door een vreemde, kan er toe leiden, dat de vluchtdrift gaat overheersen. En een belemmering van deze eigenschap door bijvoorbeeld de beperkte bewegingsvrijheid van de aangelijnde hond kan aanleiding zijn voor angstig lijkend gedrag.

Gebruik 1):

De SWH, niet gefokt voor een specifiek gebruik, heeft eigenschappen in zich, die hem zich doen gedragen als een trouwe en betrouwbare gezelschapshond of huishond.

Hoofd [1]:

Het hoofd moet een wolfachtige indruk maken en in grootte harmoniëren met het lichaam.
Van boven en opzij gezien moet het hoofd wigvormig zijn. De schedel [2] toont vlak en breed, maar ten opzichte van de breedte moet gewaakt worden voor overdrijving, omdat dit de typische wigvorm verstoort. De achterhoofdsknobbel [3] mag niet opvallen. De overgang van de krachtige snuit (neusrug) [5] naar de schedel [2] toont een lichte stop [4]. De brug van de neus is recht en gaat over in een goed gepigmenteerde neusspiegel [11]. Zeer kenmerkend is de belijning van de voorsnuit naar een goed ontwikkeld jukbeenboog [12]. Samen met de juiste vorm en plaatsing van het oog [13] in de schedel draagt deze ten zeerste bij aan de wolfachtige verschijning. De oogkas mag niet uitgesproken zijn en de wenkbrauw dient in vloeiende lijn over te gaan in de schedel. De lippen [7] sluiten goed aan. De voorsnuit [5] en de schedel [2] verhouden zich in hun lengtes één- op-één, waarbij de bovenkaak zich beslist niet grof mag tonen vergeleken met de schedel: een te grove voorsnuit ontsiert de typisch wolfachtige wigvorm. De onderkaak [8] mag niet opvallend zijn. Zeer kenmerkend is de belijning van de voorsnuit naar een goed ontwikkeld jukbeenboog [12]. Samen met de juiste vorm en plaatsing van het oog [13] in de schedel draagt deze ten zeerste bij aan de wolfachtige verschijning. De oogkas mag niet uitgesproken zijn en de wenkbrauw dient in vloeiende lijn over te gaan in de schedel.

Ogen [13]

De ogen zijn bij voorkeur geel van kleur en amandelvormig. De ogen zijn enigzins schuin geplaatst, niet puilend of rond, gevat in goed aansluitende oogleden.
De uitdrukking van de ogen is oplettend, wel gereserveerd, doch zonder angst.
Het oog is een zeer rastypisch kenmerk, dat de gewenste wolfachtige verschijningsvorm benadrukt.
De goede expressie wordt daarom alleen verkregen door de aanwezigheid van een licht oog. Er dient vele waarde te worden gehecht aan de kleur, vorm en juiste plaatsing in de schedel. 2)
- De oogkleur is geel, maar bij het ouder wordende dier mag deze zich donkerder kleuren. Echter de oorsponkelijke aanleg voor gele dient herkenbaar te blijven.
- Een in aanleg bruine oogkleur is minder gewenst.
-  De oogkas gaat in vloeiende lijn in de schedel over: een te geprononceerde oogkas, geaccentueerd door de wenkbrauw samen met te veel stop, is ongewenst.

Oren [14]


De oren zijn middelgroot en vlezig.
Het oor is driehoekig van vorm, heeft een afgeronde top en is van binnen behaard.
De basis (ooraanzet) [15] ligt op ooghoogte.
De oren zijn zeer beweeglijk en geven uitdrukking aan stemmingen en emoties 3) van de hond.
- Storend en ongewenst zijn te spitse en te hoog aangezette oren.
- Te wijd uitstaande oren ontsieren het hoofd in zijn typische verschijningsvorm, zijn derhalve minder gewenst.

Hals [16]


De hals toont droog en is goed bespierd.
De hals gaat in een zeer vloeiende lijn over in de romp [17]. De hals kan vooral in de wintervacht gesierd worden met een fraaie kraag.
De lijn [18] van de keel naar de borst heeft een vloeiend verloop.
De keelhuid is minimaal en niet opvallend Het is kenmerkend voor de SWH hoofd en hals in ontspannen draf bijna horizontaal te dragen. 4)

Romp [17]

De SWH is langer dan hoog.
De rug [10] is recht en sterk.
De ribben zijn normaal gewelfd.
De vloeiende borstbelijning reikt tot maximaal de elleboog [20].
Borst en ruimte tussen de voorbenen tonen matig breed in vooraanzicht.
De buiklijn [21] is strak met een licht opgetrokken lijn. Er moet gewaakt worden voor te veel massa van de borst [22], want dit verstoort de typische belijning, welke de gestadige draver kenmerkt.
Het silhouet is eerder rank en zeer wolfachtig.

Staart en staartaanzet [23]

De staart is breed aangezet en welig behaard. De staart [24] reikt minimaal tot aan de sprong [25].
De staart lijkt wat lager aangezet, veelal geaccentueerd door een lichte dip bij de aanzet [23]. De staart wordt (licht) sabelvormig tot bijna recht gedragen.
In actie of draf mag de staart hoger gedragen worden.

Voorhand 5)

Het schouderblad [26] is voldoende lang en breed ontwikkeld. Het ligt onder een hoek van ongeveer dertig graden ten opzichte van de verticale loodlijn, een normale, doch niet overdreven hoeking.
De opperarm [27] is in lengte evenredig aan die van het schouderblad en vormt met het schouderblad een normale, doch niet overdreven hoeking.
De voorbenen [28] zijn recht en goed bespierd. De botstructuur ervan is ovaal van vorm en is niet grof: de benen tonen in verhouding tot het lichaam eerder een zekere rankheid.
De ellebogen [20] sluiten goed - niet geknepen - aan. Als gevolg van ribwelving en van de juiste ligging van schouderblad-opperarm toont de ruimte tussen de voorbenen zich matig wijd.
De voeten (type hazenvoet) [29], goed bespierd en gekromd en voorzien van stevig ontwikkelde voetzolen, zorgen samen met de sterke pols en met de matig schuin geplaatste middenvoet [30] voor een goede schokopvang.
In stand is een licht buitenwaartse plaatsing toegestaan.

Achterhand 5)

De bekkenhelling [31] is normaal. Deze lijkt door de lage staartaanzet [23] - dikwijls geaccentueerd door een dip - vaak meer hellend.
De hoeking van de achterhand is in harmonie met die van de voorhand.
Het dijbeen [32] heeft een normale lengte en breedte en is sterk bespierd.
De knie [33] en hakhoekingen [34] mogen niet overdreven zijn. De sprong [25] is benig en bespierd en kan optimaal gestrekt worden De middenvoet [35] is voldoende lang (niet kort), staat matig schuin en loopt over in een goed gekromde en ontwikkelde voet
- In stand is een lichte koehakkigheid toegestaan.
- Het rastypische, lichtvoetige gangwerk is zeer afhankelijk van de juiste knie- en hakhoekingen. Bij de geringste afwijking hieraan verdwijnt deze wijze van voortbewegen.

Gangwerk 6)

De SWH is een typische gestadige draver, die in zijn eigen tempo gemakkelijk grotere afstanden kan overbruggen. Zijn natuurlijke gangen vermoeien hem nauwelijks en doen denken aan die van de wolf.
De SWH onderscheidt zich ten zeerste door zijn zeer specifieke, lichtvoetig gangwerk.
Een juiste wijze van voortbewegen hangt zeer nauw samen met details in de lichaamsbouw: met name zijn de juiste hoekingen, die de verschillende ledematen met elkaar vormen, van grote invloed.
Tijdens de vrije, ongedwongen draf draagt de SWH hoofd en hals bijna horizontaal - in deze houding zijn dan oogplaatsing en wigvorm van het hoofd zo kenmerkend! In draf is het typisch lichtvoetige voortbewegen stevig en veerkrachtig - vooral op een natuurlijk ondergrond is de soepele, veerkrachtige polsbeweging kenmerkend.
 - Bij het gestadige draven, de raseigene gang, is er geen overmatig uitgrijpen, daar dit - evenals te veel stuwing - het typisch lichtvoetige gangwerk, een voorbeeld van een energie besparende gang, verstoort.

Vacht

De zomervacht is heel anders dan de wintervacht.
In de winter overheerst veelal de wollen ondervacht, die samen met de stokharige bovenvacht, de deklaag, een rijke pels over het gehele lichaam vormt en daarbij rond de hals een duidelijke kraag kan tonen.
Het is noodzakelijk, dat de buik, de binnenkant van de dijen en het scrotum met haar bedekt zijn. De haren van de totale onderkant van het lichaam en de binnenkant van de extremiteiten en aan de achterzijde van de broek zijn licht van kleur.
Zowel de wolfsgrauwe als de bosbruine SWH`s tonen donkerder op de buitenkant van de extremiteiten. Ook dienen zij een expressief masker te dragen.
- Bij de zomervacht is de stokharige bovenvacht over het gehele lichaam belangrijker.
- Temperatuurswisselingen in het najaar en in de winter kunnen van zeer grote invloed zijn op de wollen ondervacht 7).
- Wel dient in alle gevallen de wollen ondervacht in aanleg aanwezig te zijn.

Vachtkleuren

De kleuren van de vacht zijn
- van licht tot donker geschakeerd zwart-wildkleurig, het zo genaamde wolfsgrauw.
- van licht tot donker geschakeerd bruin-wildkleurig, het zogenaamde bosbruin.
- van licht crème-wit tot wit 8)
Het pigment van de neus, oogranden, lippen en teennagels behoort te zijn
- zwart bij de wolfsgrauwe en witte SWH,
- leverkleurig bij de bosbruine en crème-witte SWH.

Hoogte

De schofthoogte van de SWH varieert
- bij de reuen van 65 tot 75 cm
- bij de teven van 60 tot 70 cm,
- Geringe afwijkingen naar boven zijn toegestaan.

Fouten

Hoofd
- te ronde ogen,
- puilende ogen,
- een te uitgesproken oogkas, waarbij de wenkbrauw niet langs een vloeiende lijn overgaat in de schedel, wat veelal samengaat met te veel stop, en te ronde ogen,
- te hoog geplaatst en/of puntig oor,
- wijduitstaande oren.
LICHAAM
- Laagbenigheid,
- te grove botstructuur van de benen,
- te korte bouw.
VACHT
- het ontbreken van voldoende expressie door haarkleuren is minder gewenst,
- zadeltekening door onvoldoende verdeeld zijn van de donkere haarkleuren.
STAART
- krul in de staart,
- boven de rug gedragen staart.
DISKWALIFICERENDE FOUTEN
- bij reuen mono- en cryptorchide,
- elke vorm van agressie is bij de SWH niet toegestaan, daar deze zich niet vrijelijk, doch gereserveerd dient op te stellen tegenover hem vreemde personen,
- andere dan de toegestane vachtkleuren.

TOELICHTING
1) Gebruik: De SWH is een typisch roedeldier. Door en vanuit deze zeer sterk aanwezige eigenschap verlangt hij aan uw zijde te vertoeven. Deze eigenschap maakt hem volkomen ongeschikt als kennelhond: opgesloten zal hij onophoudelijk trachten zich te bevrijden, afzondering zal hem in vele gevallen doen a-socialiseren.
De jonge SWH verlangt bij zijn opvoeding een eerlijke, consequente benadering. wil men zijn trotse en onafhankelijke karakter enigszins vormen, dan is het raadzaam zijn gedrag en gehoorzaamheid te trainen.
Vele SWH’s bleken in het verleden over goede eigenschappen te beschikken voor het werk als geleidehond voor blinden. Echter vanwege het steeds drukker wordende verkeer is reeds in het begin van de zeventiger jaren besloten te stoppen met het opleiden van SWH’s voor dit werk - dit over te laten aan de school voor blindengeleidehonden die daartoe zeer selectief fokt en africht.
Omdat er op de eigenschappen die belangrijk zijn voor een blindengeleidehond niet langer wordt gefokt, is de SWH geen gebruikshond meer. Hij is geworden tot wat hij is: een ideale huishond, een groot kindervriend, zeer aanhankelijk en volkomen betrouwbaar.
Bewaking en africhting: De lettergreep wolf in zijn naam doet bij velen de mening post vatten, dat dit garant staat voor felheid.
Niets is minder waar: de SWH mist de aanvalsdrift omdat deze dominant wordt overheerst door zijn gereserveerdheid en de wolfeigen vluchtdrift. Deze maken hem absoluut ongeschikt voor be- waking en bepaalde soorten van africhting die een zekere mate van agressie vereisen.
De SWH zal zijn baas op zijn eigen, stille wijze, zelden blaffend, onraad melden.
Zijn plaats in de roedelrangorde bepaalt, dat zijn baas als sterkste, als alfa, zal optreden.
2) Aan te raden valt de expressie van het oog op afstand te beoordelen. Bij een door de SWH ongewenste benadering kunnen namelijk door aanpassing aan emoties de pupillen zich tijdelijk verwijden, wat de expressie van het oog schaadt.
3) Omdat zomer- en wintervacht een visueel andere indruk wekken, vraagt de beoordeling van de grootte en de plaatsing van het oor enige aandacht.
4) Bij een aangelijnde SWH wordt deze typische drafhouding tijdens het showen veelal verstoord.
5) Waar het typische lichtvoetige gangwerk van de SWH zeer afhankelijk is van de juiste hoekingen in voor- en achterhand, mogen deze zich in stand niet overdreven tonen.
6) Het exterieur en de daarmee nauw samenhangende typische wijze van voortbewegen van de SWH is zeer afwijkend van die van aanverwante rassen: met name mag er in bouw en gangen geen enkele gelijkenis zijn met de Duitse herder.
Wie wil oordelen over de SWH en wie zich de kennis daartoe wil eigen maken, zal door bestudering van de in bouw gelijkende wolvensoorten, de wolven van het hoogbenige Europese type, de specifieke kenmerken van de SWH beter leren begrijpen.
Zijn specifieke gangen zijn dermate onverbrekelijk verbonden met een juiste lichaamsbouw, dat geringe afwijkingen in bijvoorbeeld de juiste knie- of hakhoeking het lichtvoetige gangwerk reeds schaden. Het herkennen van die kenmerkende details vraagt inzet en studie.
De verworven kennis en het verkregen inzicht zullen dan niet alleen het keuren veraangenamen, maar bovenal een verantwoorde fokkerij tot voordeel zijn.
7) Onder invloed van het milieu kan de vacht zeer verschillend zijn in dikte van de pels, hetgeen is toegestaan: bijvoorbeeld een beperkte ondervacht beïnvloed door huiskamertemperatuur.
8) Het crème-wit en wit zijn zelden voorkomende kleurslagen, waarop niet doelgericht gefokt wordt.